Vrije advocaatkeuze voor verzekerde bij rechtsbijstandverzekeraar

Vrije advocaatkeuze voor verzekerde bij rechtsbijstandverzekeraar

Het Europese Hof van Justitie heeft ter beantwoording van prejudiciële vragen van de Hoge Raad op 7 november 2013 bepaald dat een rechtsbijstandverzekeraar aan de verzekerde altijd een vrije advocaatkeuze moet bieden. Dat geldt ook indien rechtsbijstand voor de desbetreffende procedure naar nationaal recht niet verplicht is.

Veel rechtsbijstandverzekeraars hebben in de verzekeringsovereenkomst bepaald dat aan hen voorlegde zaken worden behandeld door de eigen medewerkers van de verzekeraar. Slechts wanneer de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed, of wanneer sprake is van een belangenconflict, worden de kosten van externe rechtsbijstand -zoals een advocaat- vergoed.

In de richtlijn 87/344/EEG tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de rechtsbijstandverzekering (de Richtlijn) en het daarmee corresponderende artikel 4:67 van de Wet Financieel Toezicht wordt –kort gezegd- het recht op vrije advocaatkeuze voor de verzekerde geregeld.

Verenigbaarheid recht op vrije advocaatkeuze en polisvoorwaarden verzekeringsovereenkomst

De Hoge Raad stelde in zijn arrest van 28 september 2012 prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie (het “Hof”) over de verenigbaarheid van dergelijke polisvoorwaarden met de Richtlijn.

In de betreffende procedure had een verzekerde een rechtsbijstandverzekering gesloten bij Reaal Schadeverzekeringen N.V. waarbij in de verzekeringsovereenkomst was opgenomen dat DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V. (hierna: “DAS”) was aangewezen als de vennootschap die de dekking van de rechtsbijstand uitvoert. In de overeenkomst stond daarnaast dat zaken worden behandeld door de eigen medewerkers van DAS, maar dat indien een zaak krachtens overeenkomst of naar mening van DAS aan een externe rechtshulpverlener uitbesteed moet worden, de verzekerde het recht heeft een advocaat of deskundige naar eigen keuze aan te wijzen.

De verzekerde wenste een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag te starten tegen zijn voormalig werkgever met bijstand van een door hem gekozen advocaat, terwijl DAS de kosten van die rechtsbijstand zou moeten dragen. Bij een dergelijke procedure is rechtsbijstand door een advocaat niet vereist. DAS stelde zich –conform het bepaalde in de verzekeringsovereenkomst- op het standpunt dat de vrije advocaatkeuze eerst ontstaat op het moment dat de rechtsbijstandverzekeraar beslist dat de zaak niet langer door haar eigen jurist kan worden gedaan, maar dat een externe advocaat moet worden ingeschakeld.

De verzekerde vorderde vervolgens in kort geding dat DAS de kosten van de door hem gekozen advocaat voldoet. De vordering werd afgewezen en nadat de verzekerde ook in hoger beroep bot ving, werd de kwestie voorgelegd aan de Hoge Raad.

Hoge Raad 28 september 2012

De Hoge Raad overweegt in zijn arrest van 28 september 2012 dat aan de Richtlijn en de jurisprudentie zwaarwegende argumenten zouden kunnen worden ontleend dat aan de verzekerde stééds het recht op vrije keuze van zijn rechtshulpverlener moet worden geboden.

De Hoge Raad realiseert zich evenwel dat de wijze waarop hij zou beslissen in de aan hem voorgelegde kwestie tussen de verzekerde en DAS gewisse maatschappelijke gevolgen kan hebben, omdat een stijging van de verzekeringspremies, wellicht zelfs van forse omvang, voor de hand ligt als een dergelijke uitlegging van de Richtlijn wordt aanvaard. Derhalve stelt hij prejudiciële vragen aan het Hof over de verenigbaarheid van de polisvoorwaarden met de Richtlijn.

Hof van Justitie 7 november 2013

Het Hof komt in zijn arrest van 7 november 2013 tot de conclusie dat de restrictieve uitleg van de Richtlijn die DAS voorstaat niet kan worden aanvaard:

Voor de uitlegging van een bepaling van Unierecht moet echter niet enkel rekening worden gehouden met de bewoordingen ervan, maar ook met de context en de doelstellingen die de regeling waarvan zij deel uitmaakt, nastreeft.

Die context leidt er volgens het Hof toe dat de verzekerde:

in het kader van gerechtelijke of administratieve procedures zelf zijn advocaat moet kunnen kiezen of elke andere persoon met kwalificaties die door het nationale recht worden erkend”.

Daarbij maakt het volgens het Hof geen verschil of de rechtsbijstand voor de desbetreffende gerechtelijke of administratieve procedure naar nationaal recht verplicht is.

Het Hof overweegt dat in bepaalde gevallen wel beperkingen kunnen worden gesteld aan de kosten van de verdediging die de verzekeraar vergoed. Deze beperkingen mogen evenwel niet zodanig zijn, dat het de verzekerde onmogelijk wordt gemaakt in de praktijk een redelijke keuze te maken wat zijn vertegenwoordiger betreft. Ook blijven de verzekeraar en de verzekerde vrij om een hoger niveau van vergoeding van de kosten van rechtsbijstand overeen te komen, eventueel tegen betaling van een hogere premie door de verzekerde.

Implicaties arrest voor de praktijk

Uit het arrest van het Hof volgt dat de vrije advocaatkeuze van de verzekerde niet kan worden beperkt in de verzekeringsvoorwaarden tot situaties waarin de verzekeraar besluit dat een externe rechtsbijstandverlener in de arm moet worden genomen. Aan de verzekerde komt in élke procedure het recht op vrije advocaatkeuze toe.

Hoe dit zich in de praktijk zal uitkristalliseren, valt te bezien. Nu de verzekeraar de hoogte van de kosten die zij vergoedt kan beperken, bestaat de kans dat in de praktijk de keuzevrijheid van de verzekerde minder omvattend is dan uit het arrest van het Hof lijkt te volgen en wellicht beoogd is. Dat dit keuzeprobleem ondervangen kan worden doordat de verzekeraar en de verzekerde tegen betaling van hogere premies door de verzekerde een hoger niveau van kostenvergoeding overeenkomen, doet mogelijk af aan de doelstellingen van het arrest van het Hof en de Richtlijn.


Faillissement voorkomen door bezittingen te verkopen?

Deze strategie is onlangs ingezet door een franchisenemer van KFC Holdings (hierna: “KFC”). Wat was er aan de hand? KFC had het faillissement aangevraagd van één van haar franchisenemers. De franchisenemer erkende de vordering van aanvraagster KFC en de aangevoerde…
03 januari 2020

Een nietige uitkering is niet recht te zetten met een notariële akte

Een schuldeiser in een faillissement had geprobeerd een agioreserve om te zetten in een lening, terwijl de vennootschap al een negatief eigen vermogen had. Die omzetting had te gelden als een nietige uitkering (dividend). Om zijn positie te versterken, liet…
10 december 2019

Vordering vanwege afgeleide schade van de aandeelhouder: moeilijk, niet onmogelijk

Een aandeelhouder van een failliete onderneming heeft schade geleden, omdat zijn aandelen waardeloos zijn geworden. Volgens hem is dat te wijten aan onbehoorlijk bestuur van de bestuurder. Echter, als er sprake is van onbehoorlijk bestuur, dan betekent dat nog niet…
05 december 2019

Aanmelden nieuwsbrief

Ja, ik hoor het graag als Van Riet iets publiceert