Regels voor de franchisebranche…

Regels voor de franchisebranche…

Al enige tijd is er wetgeving voor de franchisebranche in de maak. Het concept – Wetsvoorstel “Wet Franchise” opgesteld door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het ministerie van Justitie en Veiligheid ligt vanaf 12 december 2018 ter internetconsultatie voor. Tot 31 januari 2019 kan men inhoudelijk reageren op het voorstel. Wat wordt er geregeld in dit Wetsvoorstel?

Achtergrond

Tot op heden is er in onze wetgeving geen bijzondere regeling opgenomen die specifiek gaat over franchiseovereenkomsten. Dat betekent dat op een franchiseovereenkomst in beginsel de algemene regels van het verbintenissenrecht van toepassing zijn.

Meerdere knelpunten in de franchisebranche hebben geleid tot een behoefte aan specifieke wetgeving in formele zin op het vlak van franchise. Met name de “ongelijkwaardigheid” (de asymmetrische verdeling van macht) in de relatie franchisegever en franchisenemer wordt gezien als een aanjager voor het wetsvoorstel. Voor een meer uitgebreide uiteenzetting van de voorgeschiedenis van en de aanleiding voor dit voorstel wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting.

Wat wordt er geregeld in dit wetsvoorstel?

De nadruk in het Wetsvoorstel ligt op vier onderdelen die van belang zijn voor het creëren van een juridisch meer evenwichtige balans tussen de verhoudingen franchisegever – franchisenemer.

Als eerste neemt de precontractuele uitwisseling van informatie, zowel voorafgaand aan als na de sluiting van de franchiseovereenkomst een prominente rol in. Hiermee wordt een wettelijke borging beoogd die vooral strekt ter bescherming van de belangen van de franchisenemer.

Daarnaast ziet de regeling op tussentijdse wijzigingen van de franchiseovereenkomst, beëindiging van de samenwerking en het overleg tussen partijen. In het voorontwerp staat centraal dat partijen zich gedragen als ‘goed franchisegever’ en ‘goed franchisenemer’. Dit basisprincipe bestrijkt niet alleen de aanloop naar de franchiserelatie, maar ook de franchiserelatie als zodanig. Wanneer de belangen onderling botsen, veronderstelt dit principe dat partijen het gesprek met elkaar aangaan en een wederzijds bevredigende oplossing zoeken.

Gevolgen voor de huurrechtpraktijk?

Veelal huren franchisenemers het bedrijfspand waarin zij de franchiseformule exploiteren van de franchisegever. Indien de franchiseovereenkomst eindigt is het van belang dat de franchisegever tevens verhuurder kan beschikken over het gehuurde. Met name gelet op het feit dat aan de locatie veel goodwill hangt, is het zeer onwenselijk dat een franchisenemer/huurder zou blijven zitten indien de franchiseovereenkomst is geëindigd. Daarom is aan te raden altijd een koppeling contractueel vast te leggen tussen de beëindigingsmogelijkheden van beide overeenkomsten, welke beëindigingsmogelijkheden te allen tijde gelijk dienen te zijn.

Echter, het vigerende huurrecht kan hier problemen opleveren. De koppeling van de beëindigingsmogelijkheden kan namelijk is strijd zijn met het dwingendrechtelijke huurregime van artikel 7:290 BW e.v.. Een overeenkomst ex artikel 7:290 BW -bedrijfsruimte kan in principe namelijk niet eindigen zonder rechterlijke tussenkomst indien huurder niet vrijwillig/buiten rechte instemt met beëindiging. Hoewel de mogelijkheid bestaat om goedkeuring van een afwijkend beding te vragen aan de kantonrechter, is toewijzing van een dergelijk verzoek lang niet altijd gegarandeerd. De kantonrechter verleent namelijk alleen goedkeuring als de van de wet afwijkende bepaling – kort gezegd – de positie van de huurder niet wezenlijk aantast of de maatschappelijke positie van de huurder zodanig is dat hij/zij geen bescherming nodig heeft. Rechtspraak op dit vlak is sterk casuïstisch.

Het Wetsvoorstel bevat echter geen bepalingen die direct betrekking hebben op dan wel een link leggen met het huurrecht. Als het wetsvoorstel wordt geïntroduceerd in onze wetgeving, zal de franchiseovereenkomst wel worden gekwalificeerd als een “benoemde” overeenkomst welke onderhevig is aan dwingend recht. Dat betekent dat er niet ten nadele van de franchisenemer van de (nieuwe) wet kan worden afgeweken. Mogelijk is dat deze kwalificatie van een benoemde overeenkomst alsdan doorwerkt in het geval sprake is van een samenloop van een huurovereenkomst en een franchiseovereenkomst. Zie hiervoor ook mijn bijdrage omtrent het leerstuk van gemengde overeenkomsten en de discussies daaromtrent.

Wanneer gaat het gebeuren?

De consultatiefase van het wetsvoorstel loopt tot 31 januari 2019. Tot die tijd kan men put geven. Daarna wordt bekeken of de ingestuurde reacties aanleiding geven om het Wetsvoorstel wel of niet aan te passen. Wordt vervolgd.


Faillissement voorkomen door bezittingen te verkopen?

Deze strategie is onlangs ingezet door een franchisenemer van KFC Holdings (hierna: “KFC”). Wat was er aan de hand? KFC had het faillissement aangevraagd van één van haar franchisenemers. De franchisenemer erkende de vordering van aanvraagster KFC en de aangevoerde…
03 januari 2020

Een nietige uitkering is niet recht te zetten met een notariële akte

Een schuldeiser in een faillissement had geprobeerd een agioreserve om te zetten in een lening, terwijl de vennootschap al een negatief eigen vermogen had. Die omzetting had te gelden als een nietige uitkering (dividend). Om zijn positie te versterken, liet…
10 december 2019

Vordering vanwege afgeleide schade van de aandeelhouder: moeilijk, niet onmogelijk

Een aandeelhouder van een failliete onderneming heeft schade geleden, omdat zijn aandelen waardeloos zijn geworden. Volgens hem is dat te wijten aan onbehoorlijk bestuur van de bestuurder. Echter, als er sprake is van onbehoorlijk bestuur, dan betekent dat nog niet…
05 december 2019

Aanmelden nieuwsbrief

Ja, ik hoor het graag als Van Riet iets publiceert