Planschade: uitwerkingsplan niet bij planvergelijking betrokken

Planschade: uitwerkingsplan niet bij planvergelijking betrokken

Bij uitspraak van 1 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX3316) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwogen dat, omdat een binnenplanse ontheffing ingevolge artikel 6.1 lid 2 aanhef en onder b Wro wordt aangemerkt als een zelfstandige oorzaak van schade, bij de planvergelijking een in een bestemmingsplan opgenomen ontheffingsmogelijkheid bij de maximale invulling van dat bestemmingsplan buiten beschouwing wordt gelaten. Een ander oordeel zou tot de ongewenste situatie leiden dat de planologische vergelijking nimmer tot een planologische verslechtering kan leiden, aldus de Afdeling. Het schadeveroorzakende plan, de verlening van de binnenplanse vrijstelling, valt dan immers weg tegen de maximale invulling van het daaraan voorafgaande plan waarin de mogelijkheid van een binnenplanse vrijstelling is opgenomen. In de onderhavige uitspraak komt de Afdeling tot eenzelfde overweging, maar dan betreffende een uitwerkingsplan.

Aanvrager is sinds 2 maart 2000 eigenaar van de vrijstaande woning op het perceel in de gemeente Rhenen.

Bij besluit van 19 september 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rhenen krachtens artikel 19 lid 2 WRO vrijstelling verleend van de in het bestemmingsplan ‘Het Bosje’ van 23 april 1996 gestelde voorschriften aan de parkeernorm, met gebruikmaking waarvan bouwvergunning is verleend voor het realiseren van een zogenoemd woon-zorgcomplex op de gronden aan Het Bosje 11-13 te Elst.

Bij brief van 20 mei 2009 heeft aanvrager verzocht om een tegemoetkoming in de schade die hij stelt te hebben geleden ten gevolge van het besluit van 19 september 2007. Daartoe is in die brief aangevoerd dat de bouw en ingebruikname van het woon-zorgcomplex tot een verlies aan uitzicht en privacy en tot een toename van hinder heeft geleid en dat de waarde van de woning hierdoor is verminderd.

Het college wijst dit verzoek af. Aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade heeft het college, onder verwijzing naar een advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ) van februari 2010, ten grondslag gelegd dat aanvrager door de planologische wijziging niet in een nadeliger positie is komen te verkeren. Daartoe is in dat advies een vergelijking tussen het bestemmingsplan ‘Het Bosje’ en het besluit van 19 september 2007 gemaakt. De gronden zijn in dat bestemmingsplan voor ‘uit te werken woongebied’ bestemd. In het advies is de conclusie getrokken dat, uitgaande van een maximale invulling van die bestemming onder het oude planologische regime, het besluit van 19 september 2007 niet tot een planologische verslechtering heeft geleid.

Aanvrager stelt beroep in bij de rechtbank Utrecht. De rechtbank overweegt dat het college, anders dan aanvrager in beroep had betoogd, de krachtens het bestemmingsplan ‘Het Bosje’ uit te werken bestemming van de gronden heeft mogen betrekken bij de maximale invulling van het oude planologische regime. Dat een uitwerkingsplan volgens artikel 6.1 lid 2 aanhef en onder a Wro een zelfstandige grondslag voor een tegemoetkoming in planschade kan zijn, betekent volgens de rechtbank niet dat daarmee tevens is beoogd de uit te werken bestemming en de maximale mogelijkheden van de uitwerkingsregels van een bestemmingsplan in de vergelijking met het nieuwe planologische regime buiten beschouwing te laten.

Tegen deze uitspraak stelt aanvrager hoger beroep in bij de Afdeling. In hoger beroep voert hij aan dat, samengevat weergegeven, de wetgever niet heeft beoogd dat bij een planologische vergelijking rekening wordt gehouden met een uitwerkingsmogelijkheid van een bestemmingsplan.

Uitwerkingsplan is zelfstandige schadeoorzaak

De Afdeling overweegt daarop dat een uitwerkingplan thans, anders dan onder het oude recht, oorzaak van planschade kan zijn, hetwelk naar het oordeel van de Afdeling tot gevolg dient te hebben dat bij een vergelijking tussen een bestemmingsplan en het nieuwe planologische regime niet van de maximale mogelijkheden van de uitwerkingsregels van dat bestemmingsplan wordt uitgegaan. Indien van de maximale mogelijkheden van die uitwerkingsregels wordt uitgegaan, zou dat tot de ongewenste situatie leiden dat een uitwerkingsplan als zodanig nimmer tot een planologische verslechtering kan leiden, omdat dat uitwerkingsplan als oorzaak van planschade dan immers wegvalt tegen de maximale invulling van het bestemmingsplan waarin de uitwerkingsverplichting is opgenomen. Er is geen aanleiding hierover anders te oordelen, als, zoals in dit geval, zowel het oude als nieuwe planologische regime onder de WRO tot stand is gekomen. Daarvoor is redengevend dat uit artikelen 9.1.4 lid 1, 9.1.5 lid 1 en 9.1.10 lid 2 van de Invoeringswet Wro volgt dat de onder de WRO tot stand gekomen bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen en vrijstellingen als bedoeld in artikel 19 lid 2 WRO worden gelijkgesteld aan de bestemmingsplannen, uitwerkingsplannen en ontheffingen die tot stand zijn gekomen onder de Wro. Derhalve is het college, bij de vergelijking tussen het bestemmingsplan ‘Het Bosje’ en het besluit van 19 september 2007, op advies van SAOZ ten onrechte van een maximale invulling van de bestemming ‘uit te werken woongebied’ van de gronden onder het oude planologische regime uitgegaan. Het hoger beroep van aanvrager is dan ook gegrond.

Actieve risicoaanvaarding

Echter, aan de in bezwaar gehandhaafde afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming in planschade heeft het college subsidiair ten grondslag gelegd dat de schade voor rekening van aanvrager moet blijven, omdat uit het bestemmingsplan ‘Het Bosje’’ valt af te leiden dat woningbouw op de gronden ten tijde van de aankoop van de woning voorzienbaar was, zodat hij wordt geacht het risico te hebben aanvaard dat de planologische situatie op de gronden in zijn nadeel zou veranderen.

Aanvrager heeft betoogd dat het college zich ten onrechte op dat standpunt heeft gesteld. Daartoe heeft hij aangevoerd dat de voorzienbaarheid op grond van het bestemmingsplan ‘Het Bosje’ is doorbroken door de terinzagelegging van het ontwerp van het uitwerkingsplan ‘Het Bosje 1’ op 10 december 1999. Gelet op de in dat ontwerp aan de bebouwing en het gebruik van de gronden gestelde voorschriften, was ten tijde van de koop van de woning op 14 december 1999 met het realiseren van een woon-zorgcomplex als door het vrijstellingsbesluit mogelijk gemaakt geen rekening te houden, zodat deze planologische verandering niet voorzienbaar was.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer bij uitspraak van 21 december 2011, ECLI:RVS:2011:BU8882, naderhand nog eens bevestigd bij uitspraak van 29 februari 2012, ECLI:RVS:2012:BV7238, die ik beide al eerder heb besproken), overweegt de Afdeling dat voor het antwoord op de vraag of een planologische verandering buiten het eigen perceel voor de verzoeker voorzienbaar was, alleen de planologische situatie ten tijde van de koop van het eigen perceel van belang.

Niet in geschil is, aldus de Afdeling, dat de bouw en ingebruikname van het woon-zorgcomplex op de gronden niet in strijd met de uitwerkingsregels van het bestemmingsplan ‘Het Bosje’ was. Voorts was volgens de Afdeling ten tijde van de koop van de woning niet uitgesloten dat het uitwerkingsplan ‘Het Bosje 1’ niet zou worden vastgesteld en verwezenlijkt. Derhalve kon aanvrager, als redelijk denkend en handelend koper, destijds aan de terinzagelegging van het ontwerp van het uitwerkingsplan ‘Het Bosje 1’ niet de verwachting ontlenen dat in de toekomst op de gronden geen woningbouw zou plaatsvinden als door het vrijstellingsbesluit mogelijk gemaakt. De Afdeling sluit dan ook af dat in het in beroep aangevoerde geen grond is te vinden voor het oordeel dat het college in het besluit van 29 november 2010 ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de planologische wijziging op de gronden voorzienbaar was en dat de planschade voor rekening van aanvrager dient te worden gelaten.

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 7 november 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY2475; Uitwerkingsplan niet bij planvergelijking betrokken


Failliet of niet? Hoe werkt een schuldeisersakkoord via de WHOA?

De WHOA In 2020 zijn circa 3900 faillissementen uitgesproken. In 2019 waren dit er 4776. Ter vergelijking: in 2009, het eerste volledige jaar van de kredietcrisis, zijn er ruim 11.000 faillissementen uitgesproken.[1] Ondanks dat het aantal faillissementen in 2020 historisch…
07 januari 2021

Whitepaper Ontslag statutair bestuurder

Een statutair bestuurder is arbeidsrechtelijk gezien geen gewone werknemer, als hij al werknemer is. De statutair bestuurder heeft een bijzondere rechtspositie die zich op het snijvlak van het arbeidsrecht en het vennootschapsrecht bevindt. Zo geldt voor een statutair bestuurder bijvoorbeeld…
22 september 2020

Whitepaper wijzigingen stichtingenrecht

De overheid vindt het belangrijk dat een professionaliseringsslag plaatsvindt bij verenigingen en stichtingen en heeft daarom de Wet bestuur en toezicht rechtspersonen aangenomen. Door middel daarvan worden de wettelijke bepalingen voor stichtingen ingrijpend gewijzigd en aangevuld. Deels worden daarmee als…
08 december 2020

Aanmelden nieuwsbrief

Ja, ik hoor het graag als Van Riet iets publiceert