Hoge Raad: tijdelijke arbeidsovereenkomst eindigt niet altijd van rechtswege

Hoge Raad: tijdelijke arbeidsovereenkomst eindigt niet altijd van rechtswege

De Hoge Raad heeft op 20 december 2013 bepaald, dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die binnen drie maanden volgt op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die door de werknemer is opgezegd, niet van rechtswege eindigt.

Wettelijk kader: hoofdregel en uitzondering

Artikel 7:667 lid 1 BW bepaalt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van rechtswege eindigt, wanneer de tijd is verstreken waarvoor zij is aangegaan. Artikel 7:667 lid 4 BW maakt daarop een uitzondering “Indien een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst, die anders dan door rechtsgeldige opzegging of door ontbinding door de rechter is geëindigd, eenmaal of meermalen is voortgezet door een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, is voor de beëindiging van die laatste arbeidsovereenkomst voorafgaande opzegging nodig.”

De Hoge Raad heeft zich op 20 december 2013 uitgelaten over de vraag of onder “rechtsgeldige opzegging” in deze bepaling ook de opzegging door een werknemer moet worden verstaan.

Feiten

De werknemer is op 15 oktober 1983 in dienst getreden bij de werkgever. Eind juni 2007 maakt de werknemer aan de werkgever kenbaar dat hij in gesprek is over een mogelijke indiensttreding bij een andere werkgever. Begin augustus 2007 tekent de desbetreffende werknemer een schriftelijke arbeidsovereenkomst met de nieuwe werkgever en er wordt afgesproken, dat de arbeidsovereenkomst per 15 oktober 2007 eindigt. Op 15 oktober 2007 begint de werknemer ook bij zijn nieuwe werkgever, maar hij krijgt spijt van zijn overstap. De werknemer treedt vervolgens op 13 november 2007 op basis van een arbeidsovereenkomst voor één jaar weer in dienst bij zijn vroegere werkgever. Deze arbeidsovereenkomst wordt per 13 november 2008 verlengd door ondertekening van een nieuwe arbeidsovereenkomst voor – opnieuw – een periode van één jaar. Vervolgens laat de werkgever aan de werknemer bij brief van 20 oktober 2009 weten, dat zijn contract per 13 november 2009 niet wordt verlengd.

Hiermee is de werknemer het niet eens en hij stelt dat de arbeidsovereenkomst niet van rechtswege is geëindigd op 13 november 2009, omdat de uitzondering van artikel 7:677 lid 4 BW van toepassing is. De werknemer stelt dat met “rechtsgeldige opzegging” in artikel 7:667 lid 4 BW uitsluitend een opzegging door de werkgever wordt bedoeld en niet een opzegging door de werknemer.

Oordeel kantonrechter en gerechtshof

De Kantonrechter en Het Hof delen de mening van de werknemer niet. Zij zijn beiden van oordeel, dat onder “rechtsgeldige opzegging” niet alleen een opzegging door de werkgever moet worden verstaan, maar ook een opzegging door de werknemer. De werknemer legt de zaak voor aan de Hoge Raad.

Arrest Hoge Raad

De Hoge Raad komt op basis van de wetsgeschiedenis tot de conclusie, dat de eis van opzegging van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gehandhaafd, indien bij beëindiging van de daaraan voorafgaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd de ontslagbescherming niet is gerealiseerd. Dit wil zeggen als geen toetsing van het ontslag heeft plaatsgevonden door het UWV Werkbedrijf of de Kantonrechter. De Hoge Raad vindt het met deze ratio stroken om onder “rechtsgeldige opzegging” niet te verstaan een opzegging door de werknemer. Bij een opzegging door de werknemer vindt immers geen toetsing van het ontslag plaats.

Verder vindt de Hoge Raad, dat geen goede grond bestaat om onderscheid te maken tussen beëindiging van de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden (waarbij de wetgever de eis van opzegging wel heeft gehandhaafd) en die door opzegging door de werknemer, omdat in beide gevallen de beëindiging immers (mede) op een daarop gerichte verklaring of gedraging van de werknemer berust.

Conclusie

Uit het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2013 vloeit dan ook voort, dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, die binnen drie maanden volgt op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd die door de werknemer is opgezegd (of die met wederzijds goedvinden is beëindigd), niet van rechtswege eindigt, maar door de werkgever moet worden opgezegd of door de Kantonrechter moet worden ontbonden. Een dergelijke arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd eindigt enkel en alleen van rechtswege, indien de daaraan voorafgaande arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd rechtsgeldig door de werkgever is opgezegd of door de Kantonrechter is ontbonden.

Klik hier voor Hoge Raad | 20 december 2013 | ECLI:NL:HR:2013:2127


Tijdelijk tariefplafond op energie: 10 aandachtspunten voor huishoudens in VvE’s

Het kabinet stelt per 1 januari 2023 een tijdelijk tariefplafond in voor gas en elektriciteit om de enorme stijging van de energieprijzen voor huishoudens te compenseren. Onze advocaten Richard de Laat en Dennis Reijnders constateerden dat vooralsnog in de maatregelen en de…
25 september 2022

Nieuwe regelgeving verhuur woonruimte

In het Programma Betaalbaar Wonen van de minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening is een aantal nieuwe maatregelen uiteengezet. De aanleiding daarvan vloeit voort uit de schaarste en gestegen prijzen van huizen, met als gevolg dat de beschikbaarheid van een…
23 augustus 2022

Ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding ziekenhuis en arts; met toekenning billijke vergoeding van € 375.000,- bruto

Een arts wordt in augustus 2019 op non-actief gesteld nu zij gedurende een periode niet geregistreerd is geweest in het voor haar bedoelde verplichte register en er twijfels zijn of zij ooit BIG geregistreerd is geweest. Het ziekenhuis is daarnaast…
27 juni 2022

Aanmelden nieuwsbrief

Ja, ik hoor het graag als Van Riet iets publiceert