Het retentierecht van de aannemer

Het retentierecht van de aannemer

Het retentierecht biedt de aannemer de mogelijkheid om de nakoming van zijn verplichting tot afgifte van een onroerende zaak aan een niet-betalende opdrachtgever op te schorten totdat zijn vordering wordt voldaan. De afgelopen jaren is met regelmaat door aannemers van een dergelijk retentierecht gebruik gemaakt. Toch blijkt in de praktijk voor betrokken veelal onduidelijk aan welke vereisten moet zijn voldaan voor een geldig beroep op een retentierecht en wat de gevolgen zijn, bijvoorbeeld ingeval van een faillissement van de opdrachtgever. In dit artikel zal zulks, mede aan de hand van jurisprudentie, uiteengezet worden.

Voor uitoefening van het retentierecht gelden de volgende vereisten: (a) de vordering van de aannemer moet opeisbaar zijn, (b) er moet voldoende samenhang zijn tussen de vordering van de aannemer en de verplichting tot afgifte van de onroerende zaak, (c) het moet een andermans onroerende zaak betreffen, die in de feitelijke macht is van de aannemer en (d) inroeping van het retentierecht mag niet in strijd zijn met de redelijkheid en billijkheid.

(a) opeisbaarheid

De aannemer die een opeisbare vordering op zijn opdrachtgever heeft, is bevoegd de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de aannemingsovereenkomst op te schorten totdat voldoening van zijn vordering plaatsvindt. Dit is een algemeen opschortingsrecht. Zijn vordering is opeisbaar indien bijvoorbeeld de betalingstermijn van een termijnnota is verstreken.

Opeisbaarheid is echter niet vereist indien vaststaat dat nakoming door de opdrachtgever zonder tekortkoming onmogelijk zal zijn of de aannemer uit een mededeling van de opdrachtgever moet afleiden dat deze in de nakoming zal tekortschieten dan wel de aannemer goede gronden heeft te vrezen dat de opdrachtgever in de nakoming zal tekortschieten en deze niet voldoet aan een schriftelijke aanmaning om zich binnen een bij die aanmaning gestelde redelijke termijn bereid te verklaren zijn verplichtingen na te komen dan wel indien na het sluiten van de aannemingsovereenkomst ter kennis gekomen omstandigheden de aannemer goede grond geven te vrezen dat de opdrachtgever zijn verplichtingen niet zal nakomen.

Geen bevoegdheid tot opschorting bestaat onder meer als de aannemer zelf in verzuim verkeert dan wel nakoming door de opdrachtgever blijvend onmogelijk.

(b) voldoende samenhang

Vereist is dat tussen de vordering en de verbintenis voldoende samenhang bestaat om de opschorting te rechtvaardigen. Een zodanige samenhang kan onder meer worden aangenomen ingeval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding, bijvoorbeeld een aannemingsovereenkomst en daarmee verband houdend meerwerk of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan.

Indien die mate van samenhang aanwezig is zal vervolgens aan de hand van de omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld of de opschorting gerechtvaardigd is. Dat moet echter in onderling verband worden bezien. Dat betekent dat hoe groter de samenhang is hoe eerder een bepaalde opschorting gerechtvaardigd is en een minder vergaande opschorting zal reeds bij kleinere samenhang gerechtvaardigd zijn dan een ingrijpender opschorting.

(c) feitelijke macht

De Hoge Raad heeft in een arrest uitgemaakt dat een retentierecht op een onroerende zaak mogelijk is, mits de schuldeiser op een voor derden voldoende duidelijke wijze de feitelijke macht over de zaak uitoefent, zodat feitelijke afgifte, veelal ontruiming, nodig is om de zaak weer in de macht van de schuldenaar of de rechthebbende te brengen.

Voorts heeft de Hoge Raad overwogen dat niet valt uit te sluiten dat een retentierecht blijft bestaan indien de feitelijke macht voor een zo korte tijd wordt onderbroken en terstond weer wordt hersteld, dat aan de eis van voldoende duidelijkheid van de feitelijke situatie voor derden niet wezenlijk afbreuk wordt gedaan.

Het beroep op een retentierecht van de aannemer werd echter afgewezen in het geval waarbij de aannemer had toegelaten dat diens opdrachtgever, die later failliet werd verklaard, zijn bedrijf in het gebouw overdag tijdens kantooruren was gaan uitoefenen ook al was tussen hen na die ingebruikneming een overeenkomst gesloten waarin het retentierecht door de opdrachtgever werd erkend en de omheining van de aannemer rond het gebouw was blijven staan en de aannemer in het bezit gebleven van de sleutels van de poort en een bord van de aannemer op het gebouw blijven staan en het gebouw nog niet opgeleverd. Van een zodanig korte onderbreking van de feitelijke macht dat aan de hiervoor gestelde eis werd voldaan was ook volgens de Hoge Raad geen sprake.

De Voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle heeft in een uitspraak geoordeeld dat niet gesproken kon worden van uitoefening van de feitelijke macht door de aannemer enkel vanwege de aanwezigheid van een, verdere werkzaamheden op het bouwterrein belettende, bouwkeet/container naast het gebouw. Dit omdat het bouwterrein niet door de aannemer was omheind en niet voorzien was van sloten.

Uit een later arrest van de Hoge Raad valt af te leiden dat de Hoge Raad het voor de uitoefening van de feitelijke macht juist niet nodig acht dat de onroerende zaak door de aannemer omheind is. In die zaak was de ruwbouw van een woning door de aannemer vrijwel geheel voltooid. In en om de woning waren diverse materialen (zakken cement, timmerhout en profielen) blijven staan en voor de garage, waarvan de deuren nog niet waren geplaatst, stond nog een steiger. Verder bevond zich nog een naambord van de aannemer in de nok van het dak en was het werk nog niet opgeleverd. Het terrein was echter niet afgerasterd of afgesloten en werd ook niet bewaakt. Het gerechtshof oordeelde in hoger beroep dat in het licht van de hiervoor genoemde omstandigheden niet van het uitoefenen van de feitelijke macht door de aannemer kon worden gesproken. De Hoge Raad was het daarmee niet eens en vernietigde, onder verwijzing naar haar voormelde uitspraak, het arrest van het gerechtshof. Daarbij overwoog de Hoge Raad dat bij de beoordeling of voldoende duidelijk de feitelijke macht door de aannemer wordt uitgeoefend, rekening moet worden gehouden met hetgeen voor derden omtrent het retentierecht bekend was toen zij een recht op de onroerende zaak hebben gekregen nadat het retentierecht is ontstaan.

Nadien heeft de Hoge Raad in een ander kwestie geoordeeld dat een aannemer, als schuldeiser, niet onrechtmatig handelt indien hij op grond van zijn retentierecht op een gebouw belet dat een huurder dat gebouw wil gaan betrekken om daarin bouwkundige werkzaamheden uit te voeren. De Hoge Raad overwoog daartoe dat indien de aannemer werklieden in het gebouw toelaat om daarin – in opdracht van de opdrachtgever of van iemand die aan een overeenkomst met de opdrachtgever het recht ontleent om het gebouw in gebruik te nemen – werkzaamheden te verrichten ter voorbereiding van gehele of gedeeltelijke ingebruikneming van het gebouw, het gevaar geenszins denkbeeldig is dat voor die derden niet meer voldoende duidelijk zal zijn dat het gebouw zich nog in de macht van de aannemer bevindt. In deze zaak was overigens sprake van nevenaanneming en werd het retentierecht uitgeoefend door de coordinerend aannemer. De Hoge Raad vernietigde daarmee het arrest van het gerechtshof, dat juist had geoordeeld dat de aannemer wel onrechtmatig had gehandeld omdat het retentierecht volgens het gerechtshof niet teniet zou gaan door aan onder- en nevenaannemers toe te staan werkzaamheden in het gebouw te verrichten.

In een arrest van latere datum heeft de Hoge Raad de denklijn uit haar eerdere arresten voortgezet. Het betrof de aanleg van een golfbaan, waarop een hypotheekrecht van de bank rustte. De aannemer, die opdracht van de eigenaar had gekregen om de golfbaan aan te leggen, had haar machines en gereedschappen van het terrein verwijderd. De aanleg van de golfbaan was op dat moment nog niet voltooid. De aannemer liet bij de ingang een schaftkeet staan en handhaafde twee borden waarop stond dat door haar een werk werd uitgeoefend. De aannemer werd echter niet door de opdrachtgever betaald. Vijf maanden later heeft de aannemer daarom een gedeelte van de golfbaan afgezet met paaltjes en draad en bordjes geplaatst met de mededeling dat op de afgepaalde gedeelten door haar een retentierecht werd uitgeoefend. De bank heeft vervolgens haar hypotheekrecht geëxecuteerd (nadat de aannemer in kort geding was veroordeeld om het retentierecht op te heffen). De opdrachtgever ging daarna failliet en de aannemer droeg zijn vordering over aan een derde, die in een bodemprocedure schadevergoeding van de bank vorderde.

Het Hof oordeelde dat de aannemer ondanks het verwijderen van machines en gereedschappen van het terrein, daarover toch de feitelijke macht was blijven uitoefenen, zodat het retentierecht niet was vervallen. De Hoge Raad oordeelde, evenals het gerechtshof, dat het retentierecht was voortbestaan ook nadat de aannemer de machines en gereedschappen van het terrein had verwijderd. Dit omdat de aanleg van de golfbaan nog niet was voltooid en de aannemer de schaftkeet en twee borden had laten staan waarop stond dat een werk werd uitgeoefend. Daaruit leidde de Hoge Raad af dat de aannemer de golfbaan niet aan de opdrachtgever heeft willen afgeven en de opdrachtgever de golfbaan ook niet in gebruik heeft genomen. De omstandigheid dat op de onvoltooide delen door leden van de golfclub reeds een golfbal werd geslagen, deed daaraan niet af omdat dit niet als gebruik door de opdrachtgever kon worden aangemerkt omdat dit kennelijk incidentele omstandigheden betrof, aldus de Hoge Raad. Voorts oordeelde de Hoge Raad in deze zaak dat ingeval het retentierecht met betrekking tot een onroerende zaak jegens derden met een ouder recht wordt ingeroepen, niet het vereiste geldt dat het houderschap voor die derden voldoende kenbaar is.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo heeft in een vonnis, onder verwijzing naar het hiervoor door de Hoge Raad gehanteerde criterium, geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat nog geen oplevering van het werk heeft plaatsgevonden, niet reeds impliceert dat de aannemer de feitelijke macht over de onroerende zaak heeft behouden. Wel werd op grond van andere omstandigheden aangenomen dat de aannemer nog de feitelijke macht had en dus een retentierecht. Daaraan deed volgens de rechter niet af dat de opdrachtgever vanwege een inbraakpoging het alarm weer in werking had gesteld en de sloten had vervangen.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam heeft in een vonnis overwogen dat het defensieve karakter van een retentierecht met zich meebrengt dat de feitelijke macht over de onroerende zaak moet zijn verkregen als uitvloeisel van de normale uitoefening van de overeenkomst en derhalve op rechtmatige wijze en het eigenmachtig opeisen van de feitelijke macht teneinde een retentierecht in het leven te roepen, onrechtmatig is en doel mist. In die zaak beriep de onderaannemer zich op een retentierecht op de bouwplaats, die door de hoofdaannemer met bouwhekken was afgerasterd en waarop de hoofdaannemer sloten had aangebracht. De onderaannemer kreeg de beschikking over een sleutel daarvan. Tussen de hoofd- en onderaannemer ontstond discussie over de betaling van een meerwerkfactuur, waarop de onderaannemer door de hoofdaannemer geplaatste sloten heeft vervangen door eigen sloten en borden op de hekken heeft geplaatst waarop vermeld werd dat hij op de bouwplaats een retentierecht uitoefende.

Vervolgens is de hoofdaannemer in staat van faillissement verklaard. De opdrachtgever vorderde opheffing van het beweerdelijke retentierecht. De voorzieningenrechter oordeelde dat de onderaannemer de sloten heeft vervangen met als enig doel anderen buiten te sluiten en zich hierdoor de feitelijke macht over de zaak te verschaffen teneinde een retentierecht te verkrijgen en op die wijze een retentierecht niet rechtens kan ontstaan. Voorts oordeelde de rechter dat de door de onderaannemer aangebrachte borden voor het wel of niet hebben van de feitelijke macht en daarmee voor het bestaan van het retentierecht zonder betekenis zijn, nu zij de toegang tot de bouwplaats niet feitelijk onmogelijk maken. De borden spelen alleen een rol bij de werking van het retentierecht jegens eventuele latere derden-verkrijgers, maar zijn op zichzelf geen middel tot verkrijging of behoud van de feitelijk macht, aldus de voorzieningenrechter. De onderaannemer werd dus veroordeeld om het retentierecht op te heffen.

(d) geen strijd met redelijkheid en billijkheid

Ook indien voldaan is aan de overige vereisten voor de uitoefening van een retentierecht, kan de uitoefening daarvan in de gegeven omstandigheden geheel of gedeeltelijk onaanvaardbaar zijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Te denken valt daarbij aan het geval dat opschorting, gelet op de geringe ernst van de niet-nakoming, een disproportionele reactie is.

Zo had bijvoorbeeld een onderaannemer ruim € 1.000.000 van een hoofdaannemer te vorderen wegens het bouw- en woonrijp maken van een projectgebied in het centrum van Bunschoten. De onderaannemer oefende in verband daarmee retentierecht uit op een openbaar plein, dat onderdeel uitmaakte van het projectgebied. Dat plein was door de onderaannemer afgezet met hekken, die waren voorzien van borden waarop was aangegeven dat retentierecht werd uitgeoefend. De hoofdaannemer was inmiddels failliet gegaan. De gemeente Bunschoten eiste in kort geding als eigenaar van het plein opheffing van het retentierecht door de onderaannemer. Exploitanten van omliggende supermarkten hadden de gemeente aangegeven inkomsten te derven omdat hun winkels slecht bereikbaar waren en een op het plein gepland kunstwerk kon niet in opdracht van de gemeente worden gerealiseerd. De situatie zorgde volgens de gemeente bovendien voor grote onrust en ontevredenheid bij haar burgers.

Volgens de gemeente stond niet ter discussie dat het retentierecht rechtmatig door de onderaannemer was gevestigd, maar zou deze zich door handhaving van het retentierecht schuldig maken aan misbruik van recht. Dit omdat het plein openbaar was en daarom onverkoopbaar omdat niemand bereid zou zijn daarop een reëel bod uit te brengen, aldus de gemeente. De Voorzieningenrechter van de rechtbank Utrecht oordeelde dat het retentierecht door de onderaannemer moest worden opgeheven omdat het plein bestemd was voor verblijfsdoeleinden en daarom onwaarschijnlijk was dat de vordering van de onderaannemer voor een deel van enige betekenis uit de opbrengst van de verkoop van het plein kon worden voldaan. Handhaving van het retentierecht impliceerde volgens de rechter dientengevolge misbruik van recht.

Derdenwerking, Derden met een ouder recht

De aannemer kan het retentierecht inroepen tegen derden met een ouder recht, bijvoorbeeld een hypotheekhouder, indien zijn vordering voortvloeit uit een overeenkomst die de opdrachtgever bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of de aannemer geen reden had om aan de bevoegdheid van de opdrachtgever te twijfelen.

De mogelijkheid om het retentierecht in te roepen tegen derden met een ouder recht is beperkter dan de mogelijkheid om het recht in te roepen tegen derden met een jonger recht. Zo kan de aannemer in de eerste plaats zijn retentierecht slechts tegen derden met een ouder recht inroepen wanneer de vordering van de aannemer voortspruit uit een overeenkomst die de opdrachtgever bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan of de aannemer geen reden had om te twijfelen aan de bevoegdheid van de opdrachtgever om de overeenkomst aan te gaan. In de tweede plaats is noodzakelijk dat er een verband bestaat tussen de vordering van de aannemer en de teruggehouden zaak. Andere zaken van derden met een ouder recht, die zich eveneens in de macht van de aannemer bevinden, maar waarop geen vordering rust, vallen derhalve in beginsel niet onder de werking van het retentierecht.

De aannemer wordt beschermd indien hij te goeder trouw afging op de schijn van bevoegdheid van de opdrachtgever om de overeenkomst aan te gaan. Op de aannemer rust in beginsel een onderzoeksplicht naar de bevoegdheid van de opdrachtgever tot het sluiten van de overeenkomst. Daarbij kan de aard van de opgedragen werkzaamheden mede beslissend zijn. Is de aannemer in zijn onderzoeksplicht tekortgeschoten (en dus niet te goeder trouw) dan is voor bescherming, te weten derden werking tegen de ouder gerechtigde, geen plaats.

Derden met een jonger recht

De aannemer kan het retentierecht mede inroepen tegen derden die een jonger recht op de zaak hebben verkregen, dus nadat de vordering was ontstaan en in de macht van de aannemer was gekomen. Een retentierecht op een onroerende zaak kan jegens derden met een jonger recht op die zaak slechts worden ingeroepen als de aannemer op een voor die derden voldoende duidelijke wijze de feitelijke macht over de zaak uitoefent (kenbaarheidsvereiste). Deze eis geldt niet ten aanzien van derden met een ouder recht. Derden met een ouder recht kunnen zich derhalve niet op het ontbreken van kenbaarheid beroepen. De ratio van het kenbaarheidsvereiste is dat een derde op het moment dat hij een recht op de betrokken onroerende zaak wil verkrijgen, bedacht kan zijn op het bestaan van een retentierecht.

Verlies feitelijke macht

Raakt de onroerende zaak uit de macht van de aannemer, dan kan hij deze zaak opeisen onder dezelfde voorwaarden als een eigenaar. Het retentierecht gaat verloren wanneer de onroerende zaak, al dan niet tegen de wil van de aannemer, in de macht van de opdrachtgever komt. Op dat moment eindigt immers het houderschap van de aannemer en kan ook van een opschorting van de nakoming van de verplichting tot afgifte geen sprake meer zijn.

Indien de onroerende zaak tegen de wil van de aannemer weer in de macht van de opdrachtgever is gekomen, maar de aannemer de macht over de zaak herkrijgt middels een vordering uit onrechtmatige daad, herleeft het retentierecht omdat dan geacht wordt de onroerende zaak weer uit hoofde van dezelfde rechtsverhouding zich in de macht van de aannemer te bevinden.

Als de opdrachtgever de onroerende zaak onttrekt aan het retentierecht van de aannemer, dan kan hij op grond van een onrechtmatige daad door de aannemer worden aangesproken en pleegt hij bovendien een misdrijf. Is inmiddels de onroerende zaak eigendom van een derde geworden, dan kan deze door de aannemer niet worden opgeëist indien die derde te goeder trouw is.

Faillissement opdrachtgever

Door een faillissement van de opdrachtgever eindigt het retentierecht niet. De aannemer kan het retentierecht ook aan de curator tegenwerpen. In geval van een retentierecht heeft de curator twee mogelijkheden. In de eerste plaats kan de curator de zaak opeisen en verkopen. In dat geval houdt de aannemer weliswaar een voorrang op de opbrengst, doch hij moet zijn vordering ter verificatie indienen bij de curator en meedelen in de omslag van de algemene faillissementskosten. Dat betekent dat van het boedelactief eerst de boedelkosten in mindering worden gebracht. Afhankelijk van de hoogte van het boedelactief loopt de aannemer dus het risico dat hij minder krijgt dan de opbrengst van de onroerende zaak.

De curator kan ook de onroerende zaak in de boedel terugbrengen door voldoening van de vordering van de aannemer. In dat geval krijgt aannemer dus volledig betaald. De aannemer kan ingevolge de Faillissementswet de curator een redelijke termijn stellen waarbinnen deze een van de hiervoor bedoelde mogelijkheden moet uitoefenen. De rechter-commissaris kan de termijn op verzoek van de curator een of meerdere malen verlengen. Oefent de curator geen van beide bevoegdheden binnen de gestelde termijn uit, dan verkrijgt aannemer het recht van parate executie, hetgeen betekent dat hij de teruggehouden zaak zelf kan verkopen zonder tussenkomst van de rechter en zich op de opbrengst kan verhalen. Hij deelt dan niet in de algemene faillissementskosten.

Betreft de teruggehouden zaak een onroerend goed, dan geschiedt de verkoop volgens de regels van executie door een hypotheekhouder. De aannemer dient er wel op bedacht te zijn dat ingevolge de Faillissementswet indien sprake is van een teruggehouden onroerend goed, hij binnen veertien dagen na het verstrijken van de aan de curator gestelde termijn, bij exploot aan de curator dient aan te zeggen dat hij tot executie overgaat en dit exploot in de openbare registers in te schrijven op straffe van verval van het recht van parate executie. Blijft inschrijving achterwege, dan kan het recht van parate executie niet aan een verkrijger worden tegengeworpen.

Surséance van betaling

Het retentierecht eindigt evenmin doordat aan de opdrachtgever surséance van betaling wordt verleend. Dient de aannemer zijn vordering in bij de bewindvoerder, dan werkt de surséance ook ten aanzien van deze vordering en eindigt het retentierecht ingevolge de Faillissementswet. Dit geldt niet indien de vordering is ingediend vóór aanvang van de stemming van de schuldeisers tot het aannemen van een akkoord.

Inschrijving in de openbare registers

Een mogelijkheid om aan derden duidelijk te maken dat retentierecht op een onroerend goed wordt uitgeoefend, is het inschrijven van dat retentierecht in de openbare registers. Hoewel de Hoge Raad van mening is dat een retentierecht geen inschrijfbaar feit is, werken bewaarders van de openbare registers regelmatig mee aan inschrijving van het retentierecht. Hiertoe zijn verschillende modelakten beschikbaar. Daarbij dient de notaris in beginsel in die akten te verklaren dat hij onderzoek naar dat retentierecht heeft verricht. Van een zorgvuldig handelend notaris mag in beginsel worden verwacht dat hij alle betrokken partijen bij een transactie op de hoogte brengt van de voorgenomen inschrijving en hen de gelegenheid geeft daarop te reageren voordat hij tot inschrijving overgaat. Inschrijving van een retentierecht kan zinvol zijn omdat die inschrijving in de openbare registers ook tegen derden te goeder trouw werkt die nadien de onroerende zaak hebben verkregen.

Retentierecht op een gedeelte van een onroerende zaak

Aangenomen wordt dat een retentierecht ook kan worden uitgeoefend op een gedeelte van een onroerende zaak. In het hiervoor aangehaalde arrest heeft de Hoge Raad immers geconcludeerd dat sprake was van een rechtsgeldig retentierecht van de aannemer op onvoltooide delen van een golfbaan. Te denken valt voorts aan individuele appartementsrechten, die deel uitmaken van een appartementencomplex. In dat geval is het in principe goed mogelijk om de feitelijke macht uit te oefenen op die gedeelten van een gebouw.

Anders ligt het naar mijn mening bij delen van een niet gesplitst gebouw of bijvoorbeeld een inbouwpakket of installaties. Het is dan niet goed mogelijk om de feitelijke macht over die gedeelten te verkrijgen. Voorts rijst de vraag wat de schuldeiser daarmee zou opschieten, omdat een dergelijk retentierecht niet goed is uit te winnen.

Slotsom

Het retentierecht is een sterk recht voor de aannemer dat derden werking heeft, zelfs tegen derden met een ouder recht, zoals bijvoorbeeld een hypotheekhouder. Van belang is dat de aannemer houder van de onroerende zaak is en derhalve daarover de feitelijke macht heeft. Het plaatsen van hekken is in beginsel niet vereist. Evenmin is inschrijving van het retentierecht in de openbare registers vereist. Wel zullen in de regel materialen, gereedschappen en/of een schafkeet van de aannemer alsmede diens naambord op de bouwplaats aanwezig moeten blijven. Het toelaten van de eigenaar of opdrachtgever dan wel toekomstige gebruikers tot de bouwplaats kan leiden tot verlies van het retentierecht.

Het verdient aanbeveling om in het kader van de uitoefening van een retentierecht over een onroerende zaak, deze met bouwhekken af te rasteren en af te sluiten, waarbij de aannemer als enige over de sleutels beschikt, en deze bouwhekken te voorzien van borden waarop expliciet wordt vermeld dat de aannemer ter plaatse een retentierecht uitoefent. Daarenboven zou, ter meerdere zekerheid, door de aannemer het retentierecht in de openbare registers kunnen worden ingeschreven. Daarmee wordt het risico op discussie omtrent de geldigheid van het retentierecht zoveel mogelijk beperkt.


Ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding ziekenhuis en arts; met toekenning billijke vergoeding van € 375.000,- bruto

Een arts wordt in augustus 2019 op non-actief gesteld nu zij gedurende een periode niet geregistreerd is geweest in het voor haar bedoelde verplichte register en er twijfels zijn of zij ooit BIG geregistreerd is geweest. Het ziekenhuis is daarnaast…
27 juni 2022

Het einde van de grondentrechter, maar voor welke zaken?

Sinds het Varkens in Nood-arrest van het Europese Hof van Justitie[1] wordt er ook in de Nederlandse rechtspraak een discussie gevoerd over de verruimde toegang tot de rechter. Deze discussie heeft zich onder andere gericht op (het verlaten van) de…
15 juni 2022

Hebben gemeenten een vinger in de pap bij de bouw van sociale huurwoningen?

De woningmarkt loopt over. Het aantal inwoners stijgt en door de oorlog in Oekraïne stijgt ook het aantal vluchtelingen in Nederland. Er bestaan lange wachtlijsten. Op het nieuws is regelmatig te zien dat asielzoekers hebben moeten slapen op stoelen in…

Aanmelden nieuwsbrief

Ja, ik hoor het graag als Van Riet iets publiceert