Erfgenamen werknemer hebben recht op uitbetaling van niet-genoten opgebouwde vakantiedagen

Erfgenamen werknemer hebben recht op uitbetaling van niet-genoten opgebouwde vakantiedagen

Het Europese Hof van Justitie heeft op 12 juni 2014 bepaald dat door een werknemer niet-genoten opgebouwde vakantiedagen door de (ex)werkgever moeten worden uitbetaald aan diens erven.

Recht op uitbetaling niet-genoten opgebouwde vakantiedagen bij einde arbeidsovereenkomst

Artikel 7 van de EG-Richtlijn 2003/88 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (de “Richtlijn”) bepaalt dat de lidstaten maatregelen treffen opdat aan alle werknemers jaarlijks een (doorbetaalde) vakantie van ten minste vier weken wordt toegekend. Deze minimumperiode kan niet door een financiële vergoeding worden vervangen, behalve in het geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

De Richtlijn is in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd: artikel 7:641 lid 1 BW bepaalt dat een werknemer bij het einde van zijn arbeidsovereenkomst recht heeft op uitbetaling van door hem opgebouwde maar niet genoten vakantiedagen.

Is dat recht vererfbaar? Kunnen erfgenamen van een werknemer aldus ook aanspraak maken op een dergelijke uitbetaling van vakantiedagen, indien de arbeidsovereenkomst is geëindigd vanwege het overlijden van de werknemer? Dat was tot nu toe in de Nederlandse jurisprudentie geen uitgemaakte zaak.

Enerzijds heerste de opvatting dat erfgenamen van een overleden werknemer dit recht niet toekwam. De gedachte daarbij was dat het recht op uitbetaling van de vakantiedagen -eerst- ontstaat als gevolg van het eindigen van de arbeidsovereenkomst. In het geval dat de arbeidsovereenkomst eindigt wegens het overlijden van de werknemer, kan dit recht niet meer voor de werknemer ontstaan: deze is dan immers niet meer in leven. Daarmee zou er ook geen sprake zijn van een vererfbaar recht. Zo redeneerde althans de kantonrechter te Assen in 2009.

Anderzijds werd betoogd dat het recht op uitbetaling van opgebouwde vakantiedagen bestaat, ongeacht de wijze van beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Uitgangspunt is immers dat vakantie geen gunst is, maar een recht, dat de werknemer zich door de verrichte arbeid heeft verworven. Dit recht zou krachtens het erfrecht dan ook vererfbaar zijn. Zo overwogen de kantonrechter te Amersfoort in 2007, de kantonrechter te Heerenveen in 2011, en de kantonrechter te Assen in 2012. Bovendien zou een andere conclusie leiden tot het gevolg dat de werkgever voordeel zou hebben van het overlijden van een werknemer, hetgeen niet bedoeld kan zijn.

Arrest Europese Hof van Justitie d.d 12 juni 2014 brengt duidelijkheid

Feiten en procesverloop

In de procedure in eerste aanleg, die ten grondslag ligt aan het te bespreken arrest, meende een Duitse weduwe dat zij aanspraak kon maken op uitbetaling van de door haar overleden echtgenoot niet-genoten opgebouwde vakantiedagen. De weduwe diende een verzoek in bij de (ex)werkgever om tot uitkering van het saldo van 140,5 vakantiedagen over te gaan. De werkgever weigerde de vakantiedagen evenwel uit te betalen, omdat er geen sprake zou zijn van een erfelijk recht.

De Duitse rechter in eerste aanleg volgde de werkgever en oordeelde dat er geen recht ontstaat op een financiële vergoeding voor vakantiedagen die aan het einde van de arbeidsovereenkomst niet zijn opgenomen door de werknemer, als die arbeidsverhouding eindigt door het overlijden van de werknemer.

Prejudiciële vraag

De weduwe ging in hoger beroep, en die rechter stelde prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie, over het hiervoor beschreven artikel 7 van de Richtlijn. Brengt dit artikel mee dat de lidstaten geen nationale wetten of gebruiken mogen hebben die bepalen dat het recht op vakantie vervalt zonder recht op financiële vergoeding voor niet-genoten opgebouwde vakantiedagen, doordat de arbeidsovereenkomst wegens het overlijden van de werknemer eindigt? En zo ja dient de betrokkene dan een verzoek in te dienen om een dergelijke vergoeding te ontvangen of is dat dat niet nodig?

Europese Hof van Justitie

Het Hof van Justitie beantwoordt de eerste vraag bevestigend. Het recht op jaarlijkse vakantie en het recht op uitbetaling van de vakantiedagen als bedoeld in artikel 7 van de Richtlijn zijn twee aspecten van een wezenlijk beginsel van sociaal recht van Unie. Dit recht mag niet restrictief worden uitgelegd, aldus het Hof. Artikel 7 lid 2 van de Richtlijn stelt voor het ontstaan van het recht op een financiële vergoeding geen andere voorwaarden dan dat de arbeidsverhouding is beëindigd en dat de werknemer niet alle jaarlijkse vakantie heeft opgenomen waarop hij op de datum van de beëindiging recht had.

Het Hof vervolgt dat een financiële vergoeding bij beëindiging van de arbeidsverhouding door het overlijden van de werknemer voorts noodzakelijk is om het nuttig effect van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon te waarborgen:

Indien de verplichting tot betaling van het loon voor jaarlijkse vakantie ophield te bestaan bij het overlijden van de werknemer, dan zou dat immers tot gevolg hebben dat een toevallige omstandigheid, waarover noch de werknemer noch de werkgever controle heeft, leidt tot het totale verlies met terugwerkende kracht van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon. Om al deze redenen is het Hof van mening dat artikel 7 van de Richtlijn niet zo kan worden uitgelegd dat dit recht kan vervallen door het overlijden van de werknemer.

De vraag of de erfgenamen daartoe een verzoek moeten indienen bij de werkgever van de overleden werknemer, beantwoordt het Hof ontkennend en overweegt:

Het recht op de vergoeding mag niet afhankelijk worden gesteld van een daartoe strekkende voorafgaande aanvraag. Het is immers zo dat dit recht rechtstreeks wordt verleend door die richtlijn, zonder dat de betrokken werknemer hiertoe iets hoeft te doen, en voort niet afhankelijk mag worden gesteld van andere voorwaarden dan die waarin die richtlijn uitdrukkelijk voorziet, zodat de omstandigheid dat de werknemer niet vooraf heeft verzocht om een financiële vergoeding krachtens artikel 7 lid 2 van de richtlijn, volstrekt irrelevant is.

Conclusie

Het Hof kwam dan ook tot de conclusie dat de Richtlijn meebrengt dat het recht op uitbetaling van niet-genoten opgebouwde vakantiedagen niet vervalt door het overlijden van de werknemer. Het recht op die vergoeding ontstaat van rechtswege en mag niet afhankelijk worden gesteld van een voorafgaand verzoek door de betrokkene. Terwijl de rechtspraak in Nederland tot nu toe een wisselend beeld liet zien, lijkt met dit arrest voor de toekomst meer duidelijkheid te worden verschaft.

Klik hier voor het arrest van het Europese Hof van Justitie d.d. 12 juni 2014


Ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding ziekenhuis en arts; met toekenning billijke vergoeding van € 375.000,- bruto

Een arts wordt in augustus 2019 op non-actief gesteld nu zij gedurende een periode niet geregistreerd is geweest in het voor haar bedoelde verplichte register en er twijfels zijn of zij ooit BIG geregistreerd is geweest. Het ziekenhuis is daarnaast…
27 juni 2022

Het einde van de grondentrechter, maar voor welke zaken?

Sinds het Varkens in Nood-arrest van het Europese Hof van Justitie[1] wordt er ook in de Nederlandse rechtspraak een discussie gevoerd over de verruimde toegang tot de rechter. Deze discussie heeft zich onder andere gericht op (het verlaten van) de…
15 juni 2022

Hebben gemeenten een vinger in de pap bij de bouw van sociale huurwoningen?

De woningmarkt loopt over. Het aantal inwoners stijgt en door de oorlog in Oekraïne stijgt ook het aantal vluchtelingen in Nederland. Er bestaan lange wachtlijsten. Op het nieuws is regelmatig te zien dat asielzoekers hebben moeten slapen op stoelen in…

Aanmelden nieuwsbrief

Ja, ik hoor het graag als Van Riet iets publiceert