Doorbreken voorzienbaarheid weer teruggedraaid

Doorbreken voorzienbaarheid weer teruggedraaid

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) staat niet bekend als een draaikont. Toch heeft de Afdeling de afgelopen jaren met enige regelmaat anders overwogen ten aanzien van de mogelijkheid om de voorzienbaarheid te doorbreken. 

Zoals bekend, dient volgens (min of meer) vaste jurisprudentie van de Afdeling de schade redelijkerwijs geheel of gedeeltelijk ten laste van de betrokkene te blijven, indien de schadeveroorzakende ontwikkeling voorzienbaar was, waarbij de voorzienbaarheid steeds dient te worden vastgesteld op het moment van de koop van de desbetreffende onroerende zaak. Dat moment is de peildatum.

Op 6 oktober 2004 heeft de Afdeling een verrassende uitspraak gedaan die afwijkt van deze lijn (zaak nr. 200402448/1, LJN AR3330). In die zaak deed zich de situatie voor dat een ontwikkeling ten tijde van de aankoop van een perceel wel voorzienbaar was op basis van een planologische regeling uit 1948, maar daaraan in een volgend bestemmingsplan geen aandacht was geschonken. De Afdeling volgde het betoog van de aanvrager die stelde dat alleen de verslechtering van zijn positie door een bestemmingsplan uit 1996 ten opzichte van het plan uit 1980 aan de orde is: de planvergelijking zou zich tot die regimes moeten beperken. Door uit te gaan van voorzienbaarheid van de omstreden ontwikkelingen zou namelijk in strijd met de rechtszekerheid worden gehandeld. Miskend zou worden dat het eerdere plan niet langer de planologische situatie bepaalt.

Na deze uitspraak heeft de Afdeling weer de normale benadering van de voorzienbaarheid gehanteerd (onder meer de uitspraken van 16 december 2009 in zaak nr. 200903710/1/H2, LJN BK6700, en 27 juni 2007 in zaak nr. 200605219/1, LJN BA8167). Dat na de aankoop een gunstiger planologisch regime van toepassing is geweest, doet er volgens de Afdeling niet aan af dat ten tijde van de aankoop volledig sprake was van voorzienbaarheid. Alleen de planologische situatie op de datum van aankoop is van belang, aldus de Afdeling.

Bij uitspraak van 20 juli 2011 in zaak nr. 201006920/1/H2 (LJN BR2290) heeft de Afdeling echter weer overwogen dat dit in strijd is met de rechtszekerheid. De voorzienbaarheid wordt immers doorbroken. Net vijf maanden later komt de Afdeling op deze uitspraak terug.

Uitspraak

Op 9 februari 1999 heeft appellant een perceel met woning te Nieuwerkerk gekocht. Nadien verzoekt hij om vergoeding van planschade ten gevolge van een bij besluit van burgemeester en wethouders van Schouwen-Duiveland van 2 juli 2007 verleende vrijstelling ex artikel 19 WRO van het bestemmingsplan “Bebouwde Kom Nieuwerkerk”, met gebruik waarvan bouwvergunning is verleend voor de bouw van een nieuwe woning op het naastgelegen perceel.

Burgemeester en wethouders besluiten daarop aan appellant een planschadevergoeding van € 20.000,00, te vermeerderen met de hierover verschuldigde wettelijke rente. De aanvrager van de vrijstelling en bouwvergunning, die met de gemeente een planschadevergoedingsovereenkomst heeft gesloten, is het met dit besluit oneens en maakt bezwaar. Bij beslissing op bezwaar besluiten burgemeester en wethouders, na advies te hebben ingewonnen, de vergoeding te beperken tot een bedrag ad € 12.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De aanvrager van de vrijstelling en bouwvergunning is het ook met dat besluit oneens en stelt beroep in bij de rechtbank Middelburg (hierna: de rechtbank). De rechtbank stelt hem in het gelijk. De rechtbank overweegt dat de planologische verandering reeds op grond van het bestemmingsplan “Kom Nieuwerkerk”, dat gold ten tijde van de aankoop van het perceel door appellant, voor appellant voorzienbaar was. De omstandigheid dat ingevolge het nadien van kracht geworden bestemmingsplan “Bebouwde Kom Nieuwerkerk” geen bebouwing op het naburige perceel is toegestaan, is voor de rechtbank, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2009 in zaak nr. 200903710/1/H2 (LJN BK6700), geen aanleiding voor een ander oordeel. Op grond hiervan heeft de rechtbank geoordeeld dat de vastgestelde planschade redelijkerwijs voor rekening van appellant dient te blijven.

Uiteraard is appellant het daarmee oneens en stelt hij hoger beroep in bij de Afdeling. In hoger beroep doet appellant, voor zover thans relevant, een beroep op de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2004 in zaak nr. 200402448/1 (LJN AR3330), waarbij is overwogen dat bij de beoordeling van de vraag of een planologische verandering voorzienbaar is niet zonder meer voorbij mag worden gegaan aan een voor de aanvrager voordelig planologisch regime dat in werking is getreden na aankoop van de onroerende zaak.

De Afdeling overweegt daarop dat zij zich gesteld ziet voor de omstandigheid dat eenzelfde rechtsvraag in verschillende uitspraken, waaronder de uitspraak van 16 december 2009 enerzijds en in twee uitspraken, namelijk in die van 6 oktober 2004 en van 20 juli 2001 in zaak nr. 201006920/1/H2 (LJN BR2290) anderzijds verschillend is beantwoord. In onder meer de uitspraak van 16 december 2009 is overwogen dat voor het antwoord op de vraag of een planologische verandering buiten het eigen perceel voor een aanvrager voorzienbaar was, alleen de planologische situatie ten tijde van de koop van het eigen perceel van belang is. In de uitspraken van 6 oktober 2004 en 20 juli 2011 is overwogen dat de rechtszekerheid meebrengt dat ook betekenis toekomt aan een verandering van het geldende planologisch regime na de koopdatum.

De Afdeling volgt dan dat zij in het vervolg in zaken als deze, waarin de vraag voorligt of de aanvrager ten tijde van de koop van de onroerende zaak planologische mogelijkheden heeft aanvaard en het geldende planologische regime nadien is gewijzigd, de redenering volgt die onder meer gevolgd is in de uitspraak van 16 december 2009. Bij deze, ook onder het huidige in deze zaak nog geldende recht al meermalen gevolgde, keuze heeft de Afdeling van belang geacht dat de wetgever in de op 1 juli 2008 in werking getreden Wet ruimtelijke ordening geen gewijzigd planschaderecht heeft opgenomen met onder meer als doel de aansprakelijkheid voor planologische veranderingen te beperken. Het hoger beroep van appellant wordt daarop logischerwijs ongegrond verklaart.

Naschrift

Bij de bespreking van de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2011 in zaak nr. 201006920/1/H2 (LJN BR2290) heb ik opgemerkt dat het onduidelijk is of de Afdeling met die uitspraak heeft willen terugkomen op een voor de Afdeling vaste benadering van de voorzienbaarheid. Zou dat namelijk het geval zijn, dan vermeldt de Afdeling dit normaliter in de betreffende uitspraak. Dat is in die uitspraak niet gebeurd. Derhalve heb ik tevens opgemerkt dat als die uitspraak geen incident is, het raadzaam is dat de Afdeling dit in de toekomst nog eens uitdrukkelijk zou overwegen. Met de onderhavige uitspraak staat vast dat sprake is van een (herhaald) incident. De Afdeling overweegt immers dat zij in het vervolg in zaken als deze de redenering zal volgen dat de peildatum voor de voorzienbaarheid het moment van de koop van het eigen perceel is.

Ik ben het met deze uitspraak oneens. In de eerste plaats mag een belanghebbende er naar mijn bescheiden mening op vertrouwen dat een ontwikkeling geen doorgang meer zal vinden, indien bijvoorbeeld de gemeenteraad een bestemmingsplan vaststelt waarin een voorziene ontwikkeling niet wordt bestemd, of dit nu expres of per ongeluk gebeurt.

In de tweede plaats heeft de wetgever de beoogde beperking van de aansprakelijkheid voor planologische veranderingen in de Wet ruimtelijke ordening vastgelegd, onder meer met een forfait indirecte schade en de optie van voordeelsverrekening. Indien de Afdeling thans ook nog die beperking gaat oprekken, dan is het hek van de dam en heb je eigenlijk geen wetgever meer nodig. Ik vraag mij dan ook zeer af of deze uitspraak wel past in de geest van de Wet ruimtelijke ordening dan wel staatsrechtelijk houdbaar is.

Aan de andere kant valt ook wat te zeggen voor de stelling dat een belanghebbende een mogelijke negatieve ontwikkeling en de daarmee gepaard gaande schade kennelijk ten tijde van de eigendomsverwerving heeft aanvaard, zodat geen financiële rechten kunnen worden ontleend aan een latere gunstige wijziging van het planologisch regime.

LJN BU8882, zaak nr. 201101503/1/H2, Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State d.d. 21 december 2011


Ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding ziekenhuis en arts; met toekenning billijke vergoeding van € 375.000,- bruto

Een arts wordt in augustus 2019 op non-actief gesteld nu zij gedurende een periode niet geregistreerd is geweest in het voor haar bedoelde verplichte register en er twijfels zijn of zij ooit BIG geregistreerd is geweest. Het ziekenhuis is daarnaast…
27 juni 2022

Het einde van de grondentrechter, maar voor welke zaken?

Sinds het Varkens in Nood-arrest van het Europese Hof van Justitie[1] wordt er ook in de Nederlandse rechtspraak een discussie gevoerd over de verruimde toegang tot de rechter. Deze discussie heeft zich onder andere gericht op (het verlaten van) de…
15 juni 2022

Hebben gemeenten een vinger in de pap bij de bouw van sociale huurwoningen?

De woningmarkt loopt over. Het aantal inwoners stijgt en door de oorlog in Oekraïne stijgt ook het aantal vluchtelingen in Nederland. Er bestaan lange wachtlijsten. Op het nieuws is regelmatig te zien dat asielzoekers hebben moeten slapen op stoelen in…

Aanmelden nieuwsbrief

Ja, ik hoor het graag als Van Riet iets publiceert