Cessie- en verpandingsverboden hebben in beginsel verbintenisrechtelijke werking

Cessie- en verpandingsverboden hebben in beginsel verbintenisrechtelijke werking

Sinds het Oryx-arrest van de Hoge Raad uit 2003 was de heersende lijn dat als in een overeenkomst is opgenomen dat een vordering niet overgedragen of verpand kan worden, dit ook daadwerkelijk ervoor zorgt dat die vordering niet overgedragen of verpand raakt. Hiermee werd de “goederenrechtelijke werking” van dergelijke bedingen bevestigd. Als deze goederenrechtelijke werking er niet zou zijn, zou de vordering wel worden overgedragen, en is enkel sprake van wanprestatie tegenover je contractspartij. Er is dan puur sprake van “verbintenisrechtelijke werking”. In het arrest Coface Finanz GmbH / Intergamma B.V. van 21 maart 2014 (ECLI:NL:HR:2014:682) gaat de Hoge Raad om: tenzij partijen dat uitdrukkelijk overeenkomen, hebben dergelijke bedingen uitsluitend verbintenisrechtelijke werking.

Wat zegt de wet?

De overdraagbaarheid van vorderingen in goederenrechtelijke zin is neergelegd in artikel 3:83 lid 1 en 2 BW:

  1. Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet.
  2. De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.

Uit de wet volgt dus dat de overdraagbaarheid in goederenrechtelijke zin kan worden uitgesloten. Aan de orde is nu de vraag of bedingen in contracten in beginsel steeds goederenrechtelijke of enkel verbintenisrechtelijke werking hebben. In het Oryx-arrest overwoog de Hoge Raad daarover nog:

“Art. 3:83 lid 2 BW brengt immers mee dat de overdraagbaarheid van een vordering kan worden uitgesloten door een beding als hier tussen [A] en [B] is gemaakt. Anders dan het onderdeel betoogt, levert een overdracht in strijd met zo’n beding niet slechts wanprestatie van de gerechtigde tot de vordering tegenover zijn schuldenaar op, maar heeft het beding ongeldigheid van die overdracht tot gevolg. Krachtens art. 3:98 geldt dit een en ander ook voor verpanding.”

Belangrijk voor de handels- en financieringspraktijk

De discussie is relevant, omdat cessie- en verpandingsverboden in het handels- en financieringsverkeer vaak voorkomen. Verpandingsverboden komen we bijvoorbeeld veel tegen in de aannemerij, waar veel wordt gewerkt met uniforme voorwaarden: de UAV. Die bepalen standaard dat vorderingen die de aannemer op zijn opdrachtgever heeft kunnen worden verpand. Partijen kunnen daarvan afwijken, hetgeen veel voorkomt. Een voorbeeld van een verpandingsverbod:

“In afwijking van het bepaalde in paragraaf 43 van de UAV komen partijen overeen dat inpandgeving niet is toegestaan, behalve in geval van voorafgaande, schriftelijke goedkeuring van de directie.”

Een verpandingsverbod is voor een aannemer vaak niet gunstig, want hij kan zijn vorderingen die onder het verbod vallen niet meer verpanden aan zijn bank of andere financier. Hoe groter het aantal verpandingsverboden in de projectenportefeuille, hoe minder dekking qua zekerheden er voor die bank is.

De beperking van de overdraagbaarheid van rechten zien we bijvoorbeeld ook in contracten waar de hoedanigheid van je wederpartij een belangrijke factor is, zoals koopovereenkomsten van aandelen: je wil weten met wie je zaken doet, dus op zijn minst je uitdrukkelijke toestemming verbinden aan de overdracht van rechten (en verplichtingen), met als het even kan zo weinig mogelijk goederenrechtelijke werking. Het steeds moeten nagaan aan wie bevrijdend betaald moet worden kan de inningskosten van facturen opdrijven. Mede daarom is ons cessie- en verpandingsverbod in de literatuur sterk bekritiseerd. Het bemoeilijkt de mogelijkheden van de rechthebbende van de vordering om deze liquide te maken en maakt de vordering de facto “economisch dood”. Internationaal lopen we ermee uit de pas. Tot slot kunnen ook allerlei verrekeningsmogelijkheden (in de zin van artikel 6:130 BW) en andere verweermiddelen verloren gaan nadat een vordering is overgedragen.

Coface Finanz tegen Intergamma: beding in inkoopvoorwaarden

De casus in dit arrest ligt als volgt. Intergamma handelt met AFK Holland B.V., waarbij de toepasselijkheid van de algemene inkoopvoorwaarden van Intergamma was overeengekomen. Artikel 21 van de algemene inkoopvoorwaarden luidt als volgt:

“Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Intergamma zal Verkoper zijn rechten en verplichtingen uit de met Intergamma gesloten overeenkomst, noch geheel noch gedeeltelijk aan derden overdragen. Toestemming van Intergamma ontslaat Verkoper niet van zijn verplichting in te staan voor correcte nakoming van de koopovereenkomst.”

Dat gaat een tijdje goed, tot AFK Holland in 2008 aan Intergamma bericht dat in verband met een nieuwe interne structuur binnen de AFK-groep gefactureerd zou gaan worden door AFK Duitsland en dat alle bestaande overeenkomsten door AFK Duitsland zouden worden overgenomen. AFK Duitsland is de moedervennootschap van AFK Holland. AFK Duitsland heeft voorts al enkele jaren een factoringovereenkomst met Coface. In het kader van die overeenkomst zijn (ook) alle vorderingen op Intergamma aan Coface gecedeerd.

Intergamma ontvangt in 2008 en begin 2009 facturen van AFK Duitsland. Op die facturen staat een bankrekeningnummer van Coface. Op 18 maart 2009 bericht AFK Holland aan Intergamma dat alle facturen vanaf 1 maart 2009 (weer) moeten worden voldaan op haar eigen bankrekeningnummer. Intergamma voert vervolgens betalingen uit, die echter betrekking hebben op facturen van vóór 1 maart 2009 – die op de rekening van Coface hadden moeten worden betaald.

Rechtbank: partijen beoogden verbintenisrechtelijke werking

In deze procedure vordert Coface bij de Rechtbank veroordeling van Intergamma tot betaling van een bedrag van ongeveer EUR 100.000, aangezien zij de vorderingen gecedeerd zou hebben gekregen. Intergamma brengt daartegen in verweer dat “Coface nooit rechtstreeks een vordering op Intergamma kan hebben” op grond van haar algemene inkoopvoorwaarden: Intergamma heeft namelijk geen toestemming verleend voor de cessie. De vorderingen zouden daardoor niet zijn overgedragen en de betalingen aan AFK Holland waren bevrijdend aan de juiste schuldeiser verricht.

De Rechtbank wijst de vordering van Coface toe. Zij erkent dat partijen een goederenrechtelijke werking kunnen beogen met een bepaling, maar ook sprake kan zijn van een louter beoogde verbintenisrechtelijke werking. Aangezien Intergamma zich beroept op het “niet toestaan” van de cessie, en in haar inkoopvoorwaarden alleen is bepaald dat Verkoper zijn rechten en verplichtingen niet “zal” overdragen, stelt de Rechtbank vast dat partijen een puur verbintenisrechtelijke werking hebben beoogd. Om die reden zijn de vorderingen overgegaan op Coface en heeft Intergamma niet bevrijdend betaald.

Hof: partijen beoogden zowel goederenrechtelijke als verbintenisrechtelijke werking

Intergamma komt tegen het oordeel van de Rechtbank in hoger beroep bij het Gerechtshof en voert aan dat partijen “evident” goederenrechtelijke werking beoogden en verwijst naar het Oryx-arrest. Het Hof stelt vast dat het beding objectief moet worden uitgelegd. Nu het in algemene voorwaarden is opgenomen die bestemd zijn om vaker te worden gebruikt, komt aan de bewoordingen grote betekenis toe. Het beding – Verkoper “zal” nalaten – moet worden uitgelegd als een contractueel verbod tot overdracht, waarmee het op één lijn valt te brengen als het beding dat ten grondslag lag aan het Oryx-arrest. Conform het Oryx-arrest moet – bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel – een contractueel verbod tot overdracht of verpanding op voorhand zo worden uitgelegd dat het zowel verbintenisrechtelijke als goederenrechtelijke werking beoogt. Vanwege die goederenrechtelijke werking is de cessie aan Coface nooit geldig geweest en heeft Intergamma, volgens het Hof, bevrijdend aan AFK Holland betaald.

Terughoudend met algemene uitlegregels

De Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad brengt de discussie terug tot de kern van het vraagstuk dat hier aan de orde is: wordt een contractueel cessie- of verpandingsverbod steeds vermoed een beding in de zin van artikel 3:83 lid 2 BW te zijn en dus goederenrechtelijke werking heeft? Hij geeft een aantal voorbeelden uit de rechtspraak:

  • “Het is de onderaannemer verboden zijn vorderingen aan een derde te cederen/verpanden/in eigendom over te dragen”
  • “Zonder toestemming zal verkoper zijn rechten en verplichtingen noch geheel noch gedeeltelijk aan derden overdragen” (de onderhavige zaak)
  • “De vervoerder kan rechten en/of verplichtingen slechts met voorafgaande schriftelijke toestemming overdragen aan derden”
  • “Cessie van de vordering is niet toegestaan”
  • “De schuldeiser is niet bevoegd de vordering te cederen”
  • “De schuldeiser verplicht zich de vordering niet aan een derde over te dragen”

Uit deze voorbeelden blijkt al dat cessie- en verpandingsverboden zeer uiteenlopend worden geformuleerd. Dat maakt dat de uitleg van het beding de uitkomst ernstig kan beïnvloeden.

In het algemeen, aldus de Advocaat-Generaal, is de Hoge Raad terughoudend in het aanvaarden van uitlegregels: het komt vaak aan op de omstandigheden van het geval. Een algemene uitlegregel zal in deze praktijk op bezwaren stuiten, omdat dergelijke bedingen in algemene voorwaarden staan en er ook niet altijd specifiek over wordt onderhandeld (“je hebt het er maar mee te doen”). Daardoor zal een uitlegregel meestal in het nadeel uitvallen van de wederpartij – en diens financierbaarheid. Hij vindt dat het oordeel van het Hof geen stand kan houden.

Hoge Raad: verbintenisrechtelijke werking, tenzij…

De Hoge Raad is het met de Advocaat-Generaal eens en geeft allereerst een inkijkje in zijn denkrichting:

“Weliswaar is het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2003 [ het Oryx-arrest ] in de literatuur kritisch besproken, maar de Hoge Raad ziet hierin onvoldoende aanleiding tot heroverweging van zijn rechtspraak. Die rechtspraak strookt immers met de wettekst en de wetsgeschiedenis. Voorts moet worden aangenomen dat de praktijk zich op deze rechtspraak heeft ingesteld.”

En bepaalt dan vervolgens:

“Een beding als het onderhavige, dat naar zijn aard mede is bestemd om de rechtspositie te beïnvloeden van derden die de bedoeling van de contracterende partijen niet kennen, en dat ertoe strekt hun rechtspositie op uniforme wijze te regelen, dient te worden uitgelegd naar objectieve maatstaven, met inachtneming van de Haviltexmaatstaf. Als uitgangspunt bij de uitleg van bedingen die de overdraagbaarheid van een vorderingsrecht uitsluiten, moet worden aangenomen dat zij uitsluitend verbintenisrechtelijke werking hebben, tenzij uit de – naar objectieve maatstaven uit te leggen – formulering daarvan blijkt dat daarmee goederenrechtelijke werking als bedoeld in art. 3:83 lid 2 BW is beoogd. Het hof heeft dit miskend.”

Dit houdt in dat als partijen goederenrechtelijk effect wil bereiken – en de cessie of verpanding dus willen uitsluiten – zij er verstandig aan doen dit uitdrukkelijk met zoveel woorden op te nemen in het beding.


Regels voor de franchisebranche…

Al enige tijd is er wetgeving voor de franchisebranche in de maak. Het concept – Wetsvoorstel “Wet Franchise” opgesteld door het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat en het ministerie van Justitie en Veiligheid ligt vanaf 12 december 2018 ter…
24 januari 2019

Overkreditering? Hypotheekverstrekkers opgelet. Aansprakelijkheid ligt op de loer

Dat banken een zorgplicht in acht dienen te nemen bij het verstrekken en het beëindigen van financiering is sinds het arrest Rabobank/Aarding uit 2003 (voor de liefhebber: Hof Arnhem 18 februari 2003) veelvuldig herhaald in de (lagere) jurisprudentie. Het aardige…
02 januari 2019

Overschrijding van statutaire bevoegdheid door VvE: besluit tot bijdrage is nietig

Gerechtshof Amsterdam 18 september 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:3370 – Twee VvE’s in een winkelcentrum besluiten tot een bijdrage aan het in oude luister herstellen van een (gedempte) gracht. Deze gracht ligt op gemeentegrond. Eén van de eigenaars in een van de VvE’s…
01 november 2018

Aanmelden nieuwsbrief

Ja, ik hoor het graag als Van Riet iets publiceert