Betaling ontvangen na datum faillissement? Terugbetalen aan de curator!

Betaling ontvangen na datum faillissement? Terugbetalen aan de curator!

Na datum faillissement wordt een bedrag betaald aan een crediteur, vanaf een rekening met een negatief saldo. Kan de curator het bedrag terugvorderen? Volgens het Gerechtshof Den Haag kan dat. Diederick van Dalen schreef onlangs voor het juridische tijdschrift INS-updates het onderstaande commentaar bij de uitspraak. De uitspraak vindt u hier ECLI:NL:GHDHA:2020:759.

Vanaf de rekening van een failliete onderneming is op de dag na datum faillissement een bedrag van iets meer dan € 4.500,00 betaald aan een crediteur, Flora Holland. De rekening kende op het moment van betaling een negatief saldo; uit de uitspraak blijkt niet van zekerheden van de bank. De betaling geschiedde per automatische incasso; de bank kon (om onbekende redenen) niet meer storneren.

De kantonrechter had geoordeeld dat de curator het bedrag niet kon terugvorderen, nu er reeds sprake was van een negatief saldo, waardoor het faillissementsvermogen niet werd geraakt.

De curator is in hoger beroep gekomen. Het hof oordeelt dat de curator het bedrag als onverschuldigd betaald kan terugvorderen.

Door het faillissement verliest de schuldenaar de beschikking en het beheer over diens vermogen ex art. 23 Fw (fixatiebeginsel), waardoor volgens het hof zowel de bezittingen alsook de schulden worden gefixeerd per faillissementsdatum. Dit brengt met zich dat de door de schuldenaar gegeven betalingsopdrachten aan de bank eindigen en dat de curator alle betalingen waarmee de bankrekening van de begunstigde wederpartij van de schuldenaar na aanvang van het faillissement is gecrediteerd, kan terugvorderen. Het hof verwijst daarbij naar het arrest JPR/Gunning (ECLI:NL:HR:2015:689).

Het voorgaande geldt volgens het hof ook voor betalingsopdrachten aan de bank bij wie de schuldenaar een rekening met een negatief saldo aanhoudt. De rechtsregel uit JPR / Gunning is, aldus het hof, niet beperkt tot girale betalingen ten laste van een creditsaldo; dat zou ook in strijd zijn met het fixatiebeginsel. Dat beginsel strekt er juist toe dat de positie van de schuldeiser na datum faillissement niet meer mag worden gewijzigd. Anders zou de begunstigde zich door de betaling kunnen onttrekken aan de paritas creditorum. Het bedrag dient dus in beginsel te worden terugbetaald.

De schuldeiser heeft wel betoogd dat zij erop mocht vertrouwen dat de curator instemde met de betaling, omdat zij de betaling na datum faillissement ontving en zij bovendien nog een boedelvordering had. Volgens het hof is er geen algemeen beginsel van derdenbescherming dat aan de Faillissementswet ten grondslag ligt, zodat een beroep op derdenbescherming alleen zou kunnen worden gedaan als daarvoor een wettelijke grondslag zou bestaan, welke grondslag ontbreekt. Ook inhoudelijk is het hof van oordeel dat de schuldeiser er niet gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de curator instemde met de betaling; het betrof immers een automatische incasso, daags na faillissement. Alleen als er contacten tussen de schuldeiser en de curator zouden zijn geweest, zou dat anders kunnen zijn, maar van dergelijke contacten is niet gebleken.

Tot slot oordeelt het hof nog dat de crediteur de vordering ook niet mag verrekenen met haar boedelvordering. Het beroep op verrekening zou er immers uiteindelijk toe leiden dat de crediteur zich alsnog aan het fixatiebeginsel zou kunnen onttrekken. Daarbij komt dat de boedel negatief is, zodat verrekening ertoe zou leiden dat de crediteur een bevoorrechte positie zou verkrijgen ten opzichte van andere boedelschuldeisers, terwijl zij die positie enkel heeft verkregen als gevolg van een betaling die niet (rechts)geldig is.

Aldus dient het bedrag te worden terugbetaald. Het hof overweegt nog wel dat zij zich kan voorstellen dat de curator ervoor zal zorgdragen dat het bedrag niet aan de boedel wordt toegevoegd, zolang de uitspraak niet definitief is.

Wenk

De curator kan volgens het gerechtshof een betaling terugvorderen, als de betaling na datum faillissement vanaf een rekening met een negatief saldo is verricht. Het lijkt ook niet terecht dat een schuldeiser zou ‘profiteren’ van het feit dat de rekening reeds negatief was – waar zij volgens het arrest JPR/Gunning in beginsel al gehouden was tot terugbetaling. Het arrest betekent dan ook dat als een crediteur een betaling heeft ontvangen van de failliet na faillissementsdatum 00.00 uur, de crediteur altijd moet terugbetalen.

Wel roept het de vraag op wat dit betekent voor de positie van de bank. Immers, de bank blijft –uitgaande van de situatie dat zij geen zekerheden heeft – normaal gesproken achter met een onverhaalbare vordering (die door de betaling alleen maar groter is geworden), terwijl de boedel het bedrag van de betaling van na datum faillissement ontvangt. Zou de bank zich jegens de boedel op het standpunt kunnen stellen dat zij voor het bedrag van de teruggevorderde betaling een boedelvordering verkrijgt? De boedel is immers ten gevolge van de betaling uiteindelijk gebaat. Wellicht biedt art. 24 van de Faillissementswet in dit kader mogelijkheden voor de bank.

Gelet op de laatste overwegingen van het hof in het arrest verwacht ik overigens dat de schuldeiser in cassatie gaat. Het laatste woord is dus nog niet gezegd.

Deze bijdrage verscheen eerder op INS Updates 8, 2020 – 0097.


Tijdelijke Betalingsuitstelwet 2020; de oplossing tegen een domino aan faillissementen?

Inleiding Inmiddels heeft het coronavirus al wereldwijd zijn sporen achter gelaten. Ook in het bedrijfsleven is dat merkbaar. Noodgedwongen hebben veel bedrijven hun bedrijfsvoering (tijdelijk) drastisch moeten wijzigen of zelfs moeten staken. Hierdoor kunnen bedrijven problemen krijgen met de lopende…
04 augustus 2020

Omgevingsrechtelijke aspecten van hoogbouw – deel 2

De ruimte voor binnenstedelijke (her)ontwikkeling wordt schaarser. Vanwege de enorme woningbouwopgave wordt er daarom weer meer gekeken naar uitbreiding. Een alternatief is hoogbouw. Hoogbouw kent specifieke, omgevingsrechtelijke vraagstukken die bij andere projecten geen of een minder grote rol van betekenis…
06 juli 2020

Omgevingsrechtelijke aspecten van hoogbouw – deel 1

De ruimte voor binnenstedelijke (her)ontwikkeling wordt schaarser. Vanwege de enorme woningbouwopgave wordt er daarom weer meer gekeken naar uitbreiding. Een alternatief is hoogbouw. Hoogbouw kent specifieke, omgevingsrechtelijke vraagstukken die bij andere projecten geen of een minder grote rol van betekenis…
28 juni 2020

Aanmelden nieuwsbrief

Ja, ik hoor het graag als Van Riet iets publiceert